Beestjes en hun beestige (bekende) baasjes: er valt altijd wel één en ander te vertellen over hoe ze elkaar vonden en vervolgens het beste van elkaars gezelschap probeerden te maken. Of ze nu binnen dan wel buiten de woning vertoeven.

Wine Lauwers – Barry, de poes | Q-Music, Presentatrice

Wat is het verhaal achter de aanschaf van je dier? Hoe kwam het met andere woorden bij jou terecht?

Ik woonde pas samen met mijn lief toen we een huisdier wilden. We zouden eerst een katje uit het asiel halen, maar die moesten we per twee adopteren. Dat was gezien ons kleine appartementje woonden, toen niet verantwoord. Daarop belde Annelies, een goeie vriendin, die op tweedehands.be twee katjes had zien staan. We hebben het katertje gekozen en Barry genoemd, naar Barry White. Het is een straatkatje, maar hij ziet er prachtig uit, mooier dan eender welke raskat. We noemen hem wel nooit Barry. Wel Barryman, Barryvent en nog andere koosnaampjes, die iets te beschamend zijn om te delen (lacht).”

In hoeverre maakt je dier deel uit van het gezin?
Barry maakt integraal deel uit van het gezin. Meer zelfs, hij is de koning des huizes. Hij krijgt regelmatig koekjes, nieuwe speeltjes… Maar eigenlijk maak je hem nog het meest gelukkig met een kartonnen doos. Zijn verjaardag vieren we en ook internationale dierendag. Maar dat doe ik meer voor mezelf dan voor hem – zelf vindt ‘ie er maar niks aan. Het liefst heeft hij eigenlijk gewoon dat we heel de tijd thuis zijn, in zijn buurt. Dat is het grootste cadeau denk ik. Dat, en een kartonnen doos dus.”

Heeft je dier een eigen, specifiek karakter?
Barry is een specialleke. Ik heb vele katten gehad, bij mijn ouders thuis. Maar onze Barry is toch uniek in zijn soort. Hij miauwt onophoudelijk en wil continu converseren. Hij is behoorlijk jaloers, lui, maar toch ook vooral speels. Er is wel één minpuntje, dat ik hem voorlopig niet afgeleerd krijg: als hij geïrriteerd is, durft hij uithalen, liefst naar het gezicht en de ogen. Ik heb er al wat verwondingen aan overgehouden. Maar ik kan niet anders dan het hem vergeven, want hij is de liefste kat ter wereld. Waar ik ben in huis, daar is hij ook. Ben ik aan het douchen, dan wacht hij voor de douche tot ik klaar ben. Ben ik aan het koken, dat zit hij naast het fornuis. En ga ik slapen, dan ligt hij lepeltje-lepeltje. Met het risico zielig over te komen: Barry is mijn dikste vriend!”


 

David Davidse – drie katten: Louise, Jane en Jasper | Stemcoach en musicalacteur

Wat is het verhaal achter de aanschaf van je dier? Hoe kwam het met andere woorden bij jou terecht?
“Bij mij thuis wonen momenteel drie katten, die respectievelijk luisteren naar de naam Louis, Jane en Jasper – die laatste is de zoon van de tweede trouwens. Die katten heb ik voor alle duidelijkheid niet zelf opgevoed van toen ze kittens waren, ze zijn hier op volwassen leeftijd binnen gekomen en gebleven. Dat zat zo: mensen die ik kende vertrokken voor onbepaalde tijd naar Spanje, maar zij mochten er op hun appartement geen katten houden. Dus moesten de beestjes ergens anders naartoe kunnen. Op dat moment heb ik aangeboden om ze bij mij in huis te nemen, en daar heb ik tot op vandaag absoluut nog geen seconde spijt van gehad.”

In hoeverre maakt je dier deel uit van het gezin?
“Ik zie het eigenlijk anders: de katten maken geen deel uit van mijn gezin, maar ik van het hunne. In mijn optiek wonen de katten niet bij mij, maar heb ik het geluk dat ik bij hen mag inwonen (lacht). Waarom? Omdat het heel duidelijk is dat zij het reilen en zeilen hier in huis bepalen. Mijn rol ten opzichte van de katten laat zich definiëren als behoorlijk onderdanig: voor Louis, Jane en Jasper ben ik gewoon portier, verzorger en voedstervader. We vormen dus wel degelijk samen een gezin, maar ik ben alvast niet het gezinshoofd. Nu, ik heb me al lang neergelegd bij die rol hoor.”

Heeft je dier een eigen, specifiek karakter?
“Dat kan je wel zeggen. Meer nog: ze hebben elk hun eigen en duidelijk verschillende persoonlijkheid. Louis, dat is de flodderaar van de drie. Jane, het enige wijfje van mijn katten, is uiteraard de baas. En dan is er nog Jasper. Dat is de zoon van Jane, maar in tegenstelling tot zijn moeder is hij een echte angsthaas. Drie karakters onder één dak dus. En hoewel ze zoals gezegd bij mij zijn komen wonen op volwassen leeftijd, zou ik niet meer zonder hen kunnen.”


 

Herman De Croo – paarden | De Vlaamse Overheid, Minister van Staat

Wat is het verhaal achter de aanschaf van je dier? Hoe kwam het met andere woorden bij jou terecht?
“De familie De Croo woont al meer dan 500 jaar in Michelbeke. Alle mannelijke leden van de familie zaten destijds dus in het landbouwgebeuren, dus gebeurde alles te paard, en dat eeuwenlang. Ook ik ben vroeg paard beginnen rijden, rond mijn vijfde à zesde jaar, net zoals mijn twee kleinzonen nu op die leeftijd beginnen rijden. Wij zijn, om het schalks te zeggen, op een paard geboren. Het dier maakt deel van onze familiale DNA! Wij hebben er nu nog drie: twee te benutten en in theorie een reservepaard. Ik moet in de 70 jaar dat ik paardrijd een 14-tal paarden hebben gekend.”

In hoeverre maakt je dier deel uit van het gezin?
“Een paard is iets waar je regelmatig aan denkt, je kweekt er ook een gevoelsband mee. Het verplicht euthanaseren van stokoude paarden die niet meer alleen recht kunnen staan in hun stal, is iets dat mij altijd tot tranen bracht en brengt. Zelfs nu, wanneer ik aan mijn lievelingspaard Tornado terugdenk. Ik probeer toch meerdere keren per week de stallen te bezoeken, ze mee te verzorgen, te voederen, uit te laten, en te zien of ze oké zijn – ook tijdens de weekends. Paardrijden beperkt zich bij ons tot een paar uurtjes op zondagvoormiddag. Ik zou niet zeggen dat paarden écht deel uitmaken van de familie, maar we bezoeken ze wel regelmatig met de kleinkinderen, die ze dan een worteltje mogen geven.”

Heeft je dier een eigen, specifiek karakter?
“Wij proberen goede en betrouwbare rijpaarden te vinden, en dat vraagt een ongelofelijke inspanning. Paarden worden meer en meer professioneel opgeleid voor jumping, military, dressuur, manege, noem maar op. Maar het klassieke, goed gestructureerde niet te vlug schrikkende rijpaard wordt schaars. Daarom proberen we ze vaak te berijden of laten berijden – op aardewegen, tijdens ommegangen – en verzorgen we ze heel goed: regelmatig bezoek van de veearts, het beslaan door de smid, voederen. Maar het blijft ook altijd opletten voor gevaar, want in mijn eeuwenoude familie is helaas meer dan één ruiter verongelukt.”